Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 - afdeling 3. De rechtspositieregeling van het personeel van de gemeente en het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn.
Het Besluit van de Vlaamse Regering (BVR) van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en latere wijzigingen.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 12 maart 2021 houdende maatregelen ten gevolge van de pandemie veroorzaakt door COVID-19 en tot wijziging van de minimale voorwaarden voor de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeente, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de provincies.
De lokale rechtspositieregeling, vastgesteld bij beslissing van de gemeenteraad van 22 december 2008 en latere wijzigingen.
De beslissing van de gemeenteraad van 25 april 2019 houdende de delegatiebeslissing van rechtspositieregeling en arbeidsreglement van gemeenteraad naar college van burgemeester en schepenen.
De artikelen 10, 12, 13, 17 en 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 maart 2021 houdende maatregelen ten gevolge van de pandemie veroorzaakt door COVID-19 en tot wijziging van de minimale voorwaarden voor de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeente, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de provincies maken het mogelijk om fietsmobiliteit in te voeren.
Het college van burgemeester en schepenen besliste op 8 november 2022 om toe te treden tot het raamcontract van de provincie West-Vlaanderen voor fietslease.
Om fietslease mogelijk te maken voor de personeelsleden moet artikel 194 bis worden ingevoerd in de rechtspositieregeling. Daarin wordt bepaald welke looncomponent wordt omgezet in een theoretisch budget waarmee het personeelslid voordelen ter bevordering van de fietsmobiliteit kan kiezen. Het bestuur kiest ervoor om enkel de omzetting van de eindejaarstoelage mogelijk te maken.
Het college van burgemeester en schepenen kiest er tevens voor om de tussenkomst met betrekking tot het woon-werkverkeer aan te passen: bij gebruik van het openbaar vervoer worden de kosten volledig ten laste genomen. Artikel 216 moet daarvoor worden aangepast.
Gunstig advies van het bijzonder onderhandelingscomité van 15 december 2022.
Artikel 1
Artikel 194 bis wordt ingevoerd:
§1. De eindejaarstoelage kan op vraag van het personeelslid geheel of gedeeltelijk worden omgezet in een theoretisch budget waarmee het personeelslid voordelen ter bevordering van fietsmobiliteit kan kiezen, die gelijkwaardig zijn aan die van een eindejaarstoelage in geld zoals omschreven in de Rechtspositiebesluiten van 7 december 2007 en 12 november 2010. In voorkomend geval is er geen of gedeeltelijk geen recht meer op de eindejaarstoelage.
Het theoretisch budget waarvan sprake in voorgaande lid is niet opeisbaar. De voordelen die het personeelslid vrij kiest binnen de grenzen van dit theoretisch budget, worden wel opeisbaar van zodra ze opgenomen worden in een individueel akkoord tussen het personeelslid en zijn bestuur. Bij gebrek aan een individueel akkoord, blijft het recht op de eindejaarstoelage onverkort van toepassing.
Het personeelslid moet zijn keuze om de eindejaarstoelage geheel of gedeeltelijk om te zetten maken op een moment dat er nog geen verworven rechten op die eindejaarstoelage bestaan. Wanneer het personeelslid kiest voor een gedeeltelijke omzetting van de eindejaarstoelage, vermindert hiermee het bruto bedrag van de eindejaarstoelage.
Indien het theoretisch budget meer was dan nodig voor de gekozen voordelen, wordt het saldo aan het personeelslid overgemaakt na afhouding van de noodzakelijke bijdragen en uiterlijk tijdens de maand december. In voorkomend geval worden die teruggestorte gelden beschouwd als een gewone premie in geld.
§2. De concrete modaliteiten over fietsmobiliteit worden uitgewerkt in een bijlage aan het arbeidsreglement.
Artikel 2
Artikel 216 wordt als volgt gewijzigd:
Bij gebruik van het openbaar vervoer voor de verplaatsing van het verblijfsadres van het personeelslid naar de werkplaats en omgekeerd worden de kosten voor het openbaar vervoer van het personeelslid volledig ten laste genomen van het gemeentebestuur onder de voorwaarde dat gebruik wordt gemaakt van de meest voordelige formule.
Als het personeelslid in eerste klasse reist, betaalt het zelf de supplementaire kosten daarvoor.
Artikel 3
Afschrift van huidige beslissing wordt aan de hogere overheid overgemaakt.