Artikel 170 §4 van de grondwet.
Artikel 40 en 41 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet van 15 juli 1997 en latere wijzigingen, betreffende de Vlaamse Wooncode.
Het decreet van 30 mei 2008, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Artikel 2.2.6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en latere wijzigingen.
Het decreet van 14 oktober 2016 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen.
De omzendbrief KB/ABB 2019/02 van 15 februari 2019 betreffende de coördinatie van de onderrichtingen over de gemeentefiscaliteit.
Verwaarlozing van woningen en gebouwen op het grondgebied van de gemeente moet voorkomen en bestreden worden om de verloedering van de leef- en woonomgeving tegen te gaan.
Het is wenselijk dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbare patrimonium voor wonen optimaal benut wordt. Het is nuttig om een geïntegreerd beleid te voeren ter bestrijding van leegstand en verwaarlozing van woningen en gebouwen.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle zakelijk gerechtigden op het grondgebied van de gemeente, gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven.
Net als alle steden en gemeenten wordt ook de gemeente Kuurne de laatste jaren geconfronteerd met een hoge inflatie. Daarom is er beslist om de voortaan de tarieven jaarlijks aan te passen op basis van de reële evolutie van de index. Op die manier evolueren uitgaven en ontvangsten in dezelfde richting.
Artikel 1: Definities
1. Administratie: de gemeentelijke administratieve eenheid en/of intergemeentelijke administratieve eenheid die door het gemeentebestuur wordt belast met de opmaak, het beheer en de actualisering van het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen.
2. Administratieve akte: het stuk waarin de verwaarlozing wordt vastgesteld.
3. Inventarisatiedatum: de datum waarop de woning of het gebouw op de inventaris wordt opgenomen of na schrapping wordt heropgenomen.
4. Inventarisatieperiode: periode waarin het pand opgenomen is op de gemeentelijke inventaris van verwaarloosde woningen en gebouwen.
5. Woning: elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande.
6. Gebouw: elk bebouwd onroerend goed dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1° van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten en dat niet beantwoordt aan de definitie van een woning zoals bedoeld onder 5.
7. Zakelijk gerechtigde: de houder van een van volgende zakelijke rechten: de volle eigendom, het recht van opstal of van erfpacht, het vruchtgebruik.
8. Beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen: een aangetekend schrijven, een afgifte tegen ontvangstbewijs.
9. Verwaarlozing: een gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, wordt beschouwd als verwaarloosd, wanneer het ernstige zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval vertoont aan buitenmuren, voegwerk, schoorstenen, dakbedekking, dakgebinte, buitenschrijnwerk, kroonlijst of dakgoten.
De gebreken worden vastgesteld van op het openbaar domein en zijn algemeen indien ze zich voordoen over meer dan de helft van de oppervlakte, de lengte of de breedte van het betreffende bouwelement van de woning of het gebouw. Gebreken zijn beperkt van omvang indien ze zich voordoen over minder dan de helft van de oppervlakte, de lengte of de breedte van het betreffende bouwelement van de woning of het gebouw.
Om als verwaarloosd te worden gekwalificeerd, moet er minstens sprake zijn van vier beperkte gebreken of twee algemene gebreken ofwel twee beperkte gebreken en één algemeen gebrek . De verwaarlozing wordt vastgesteld in een technisch verslag.
10. Beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 2: belastbare grondslag
Er wordt voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 (aanslagjaren 2026 tot en met 2031), een jaarlijkse belasting geheven op de woningen en gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in de gemeentelijke inventaris van verwaarloosde woningen en gebouwen.
Het inventarisatiereglement op verwaarloosde gebouwen en woningen, zoals goedgekeurd in de gemeenteraad van 11 december 2025, is van toepassing.
De definities uit het inventarisatiereglement en de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarnaar dit inventarisatiereglement verwijst zijn van toepassing.
Zolang de woning of het gebouw niet is geschrapt uit de inventaris, blijft de belasting verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van twaalf maanden.
Artikel 3: Belastingplichtige
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd de houder van een van de hierna vermelde zakelijke rechten met betrekking tot een woning of gebouw op het ogenblik dat de belasting verschuldigd wordt:
§2. Ingeval van mede-eigendom zijn de mede-eigenaars hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld. Ingeval er meerdere andere houders zijn van het zakelijk recht zijn deze eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
§3. De overdrager van het zakelijk recht moet de verkrijger uiterlijk op het ogenblik van de overdracht van het zakelijk recht ervan in kennis stellen dat het goed is opgenomen in het register van verwaarloosde woningen en gebouwen. Tevens moet hij per aangetekend schrijven een kopie van de notariële akte bezorgen aan de gemeente, binnen twee maanden na het verlijden van de notariële akte. Deze kopie bevat minstens de volgende gegevens:
Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht, in afwijking van artikel 3 §1, als belastingschuldige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.
Artikel 4: Berekening van de belasting
§1. De eerste belasting voor aanslagjaar 2026 bedraagt 1.500,00 euro voor zowel een woning als een gebouw.
§2. Het bedrag zoals bepaald overeenkomstig §1 wordt vermenigvuldigd met het aantal periodes van 12 maanden opname op de gemeentelijke inventaris van verwaarloosde woningen en gebouwen. Deze vermenigvuldigingsfactor wordt beperkt tot een maximum van 10.
§ 3. De woningen die voor 1 januari 2026 werden opgenomen op de gemeentelijke inventaris van verwaarloosde woningen en gebouwen blijven, met behoud van de oorspronkelijke inventarisatiedatum, belastingplichtig voor deze belasting.
§ 4. De bedragen van de belasting worden bepaald met inachtneming van de voor de berekening van de belasting relevante duur, zonder dat de duur van de al bekomen vrijstelling – wat betreft de bepaling van het bedrag van de belasting - opnieuw in rekening kan worden gebracht. Zodoende dient in geval van eerdere vrijstelling en latere belasting het tarief verbonden aan de gehele inventarisatieperiode te worden toegepast.
§ 5. Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een gebouw of woning op de inventaris staat, wordt tot nul herleid en begint opnieuw te lopen bij volledige overdracht van het zakelijk recht betreffende het gebouw of de woning.
Dit geldt niet voor overdrachten aan:
1. vennootschappen waarin de vroegere zakelijk gerechtigde rechtstreeks of
onrechtstreeks participeert.
2. Vzw’s waar de zakelijk gerechtigde lid van is.
§ 6. Het bedrag van de belasting wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de gezondheidsindex via onderstaande formule:
Bedrag belasting aanslagjaar X = bedrag aanslagjaar 2026 x index november jaar (X-1)
index november 2025
Het is aangewezen om bij de berekening van het tarief afrondingsregels toe te passen en het bedrag af te ronden op 1,00 euro (het meest nabije veelvoud van 1,00 euro).
Artikel 5: Vrijstellingen
§1. Van de heffing inzake verwaarlozing zijn vrijgesteld:
1° De belastingplichtige die voldoet aan alle onderstaande voorwaarden:
1. het zakelijk recht hebben op één enkele woning, bij uitsluiting van enig ander gebouw of enige andere woning
2. als houder van het recht de woning uitsluitend gebruiken als hoofdverblijfplaats
Deze vrijstelling kan maximaal 2 opeenvolgende aanslagjaren worden toegekend.
2° De belastingplichtige die beperkt is in zijn handelingsbekwaamheid ingevolge een gerechtelijke beslissing. Deze vrijstelling kan maximaal 1 aanslagjaar worden toegekend.
3° De belastingplichtige die sinds minder dan twee jaar zakelijk gerechtigde is van het gebouw of de woning, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor twee heffingen volgend op het verkrijgen van het zakelijk recht.
Deze vrijstelling geldt niet voor overdrachten aan:
1. Vennootschappen waarin de vroegere zakelijk gerechtigde rechtstreeks
of onrechtstreeks participeert
2. Vzw's waar de zakelijk gerechtigde lid van is
§2. Een vrijstelling wordt verleend indien het gebouw of de woning:
1° gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of geen voorwerp meer kan uitmaken van een omgevingsvergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld.
2° vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van drie jaar volgend op de datum van de vernieling of beschadiging.
3° gerenoveerd wordt blijkens een niet-vervallen omgevingsvergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor maximaal 3 opeenvolgende aanslagjaren in de drie jaar volgend op het uitvoerbaar worden van de omgevingsvergunning. Deze vrijstelling kan slechts één maal ingeroepen worden, ongeacht het aantal dergelijke omgevingsvergunningen.
§3. Een woning of gebouw kan in één onafgebroken inventarisatieperiode maximum voor 5 belastingtijdperken van een vrijstelling genieten.
§4. Na een volledige overdracht van het zakelijk recht kan de nieuwe zakelijk gerechtigde opnieuw gebruik maken van alle bovenvermelde vrijstellingen, met een maximum van 5 belastingtijdperken.
§5. Een vrijstelling van de belasting kan worden aangevraagd bij de administratie, ten vroegste vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarin men heffingsplichtig wordt. De zakelijk gerechtigde die gebruik wenst te maken van een vrijstelling zoals vermeld in artikel 5 §1 en §2, moet hiervoor zelf de nodige bewijsstukken voorleggen aan de administratie.
Artikel 6: Invordering
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 7: Bezwaar
De belastingschuldige kan bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen volgens de modaliteiten van het decreet van 30 mei 2008 en latere wijzigingen.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Bezwaarschriften kunnen eveneens via het formulier op de gemeentelijke website worden ingediend binnen de termijnen en onder de voorwaarden vermeld in bovenstaand lid. Het formulier kan ingevuld worden op de webpagina www.kuurne.be/belastingen2026-2031.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven, binnen de vijftien kalenderdagen na de indiening ervan.
Indien de belastingschuldige wenst gehoord te worden dient dit uitdrukkelijk te worden vermeld in het bezwaarschrift.
Artikel 8: Overgangsbepalingen
§1: Belastbaar tijdstip en berekening
De woningen en gebouwen die belastbaar waren in aanslagjaar 2025 en die ondertussen niet geschrapt zijn uit de gemeentelijke inventaris van verwaarloosde woningen en gebouwen blijven belastbaar volgens het tarief en de berekening uit artikel 4. Voor aanslagjaar 2026 zal voor de berekening van het aantal belastbare jaren vertrokken worden van het aantal belastbare jaren van aanslagjaar 2025 +1, indien de eigenaar ondertussen niet gewijzigd is.
Voor de daaropvolgende jaren zal voor de berekening van het aantal belastbare jaren vertrokken worden van het aantal belastbare jaren van aanslagjaar 2025+X waarbij X gelijk is aan het verschil tussen het aanslagjaar en 2025, zolang de zakelijk gerechtigde niet gewijzigd is.
§2: Vrijstellingen
Een reeds toegekende vrijstelling op basis van dezelfde of gelijkaardige grond onder een vorig belastingreglement kan door dezelfde eigenaar voor dezelfde woning of gebouw niet opnieuw worden verkregen op basis van het huidige belastingreglement.
Indien op een vrijstelling gedurende meerdere aanslagjaren beroep kan worden gedaan, dan wordt het aantal jaren waarvoor, onder een vorig belastingreglement, al een vrijstelling werd toegekend in mindering gebracht van het totaal aantal jaren vrijstelling voorzien in dit belastingreglement.
Artikel 9
Deze beslissing wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden.
Artikel 10
Het gemeenteraadsbesluit en het concrete belastingreglement zullen, overeenkomstig artikel 286, § 1, 1° en §3 en artikel 287 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, bekendgemaakt worden op de webtoepassing van de gemeente.