Artikels 41, 162 en 170 §4 van de grondwet.
Het wetboek van de inkomstenbelastingen.
Artikel 41 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.
Artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.
Het decreet van 30 mei 2008, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Het decreet van 15 juli 1997, en latere wijzigingen, houdende de Vlaamse Wooncode.
De omzendbrief KB/ABB 2019/02.
Het gemeentebestuur doet reeds jarenlange investeringen ten behoeve van het openbaar domein, de groenaanplantingen, de veiligheid, de zorg voor de openbare ruimte en infrastructuurwerken die de aantrekkelijkheid van de gemeente als verblijfplaats vergroten. Deze investeringen komen zowel ten goede aan de vaste inwoners als aan diegenen die op het grondgebied van de gemeente over een tweede verblijf kunnen beschikken. Bovendien geven de niet permanent bewoonde eigendommen aanleiding tot een grotere zorg voor de veiligheid en de openbare ruimte, hetgeen ook zijn weerslag heeft op het budget van de gemeente. De vaste inwoners dragen reeds bij via de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting.
Diegenen die over de mogelijkheid beschikken om een onroerend goed als tweede verblijf aan te wenden beschikken over een zekere weelde.
De financiële toestand van de gemeente vraagt de invoering van alle rendabele belastingen.
Door recente rechtspraak, namelijk de beslissing van de Raad van State van 13 april 2021, nummer 250.321, is het aangewezen om de uiterste aangiftedatum op te nemen in het belastingreglement.
Voor de belasting op tweede verblijven wordt de uiterste aangiftedatum vastgesteld op 31 augustus van het betreffende aanslagjaar.
Het belastingreglement, goedgekeurd in de gemeenteraad van 12 december 2019, dient te worden opgeheven. De gemeenteraad dient het nieuwe reglement vast te stellen.
De beslissing van de gemeenteraad van 12 december 2019 betreffende de vaststelling van het belastingreglement - belasting op tweede verblijven.
Artikel 1
Het belastingreglement - belasting op tweede verblijven, vastgesteld door de gemeenteraad van 12 december 2019, wordt opgeheven.
Artikel 2
Voor een termijn van drie jaar, vanaf 1 januari 2023 en eindigend op 31 december 2025 (aanslagjaren 2023 tot en met 2025), wordt een jaarlijkse belasting geheven op tweede verblijven gelegen op het grondgebied Kuurne.
Artikel 3
Een tweede verblijf is elke private woongelegenheid die voor de eigenaar, de huurder of de gebruiker ervan niet tot hoofdverblijfplaats dient, maar op elk ogenblik door hen voor bewoning kan worden gebruikt.
Tweede verblijven zijn alle vaste woongelegenheden die al of niet ingeschreven zijn in de kadastrale legger: landhuizen, bungalows, villa's, appartementen, studio's, weekendhuisjes, …
Worden niet als tweede verblijven beschouwd:
- lokalen uitsluitend bestemd voor het uitoefenen van een beroepsactiviteit
- studentenhuizen en -kamers
- lokalen op dewelke de bedrijfszetel van rechtspersonen gevestigd is
Artikel 4
De belasting is verschuldigd door diegene die het tweede verblijf kan betrekken op 1 januari van het aanslagjaar, hetzij als eigenaar, hetzij als huurder of in welke hoedanigheid ook.
In geval van vruchtgebruik, recht van opstal of recht van erfpacht is de belasting verschuldigd door de vruchtgebruiker, erfpachthouder of de opstalhouder. De eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
In geval van mede-eigendom is iedere mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn wettelijk deel.
Voor de woningen welke in multi-eigendom aangekocht zijn, is de belasting verschuldigd door elke eigenaar naar rato van zijn aandeel in het onroerend goed, hem toegewezen als gevolg van het beschikkingsrecht over de woonst.
Artikel 5
De belasting wordt forfaitair vastgesteld op 900,00 euro per tweede verblijf.
Artikel 6
De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem behoorlijk ingevuld en ondertekend, voor 31 augustus van het betreffende aanslagjaar moet worden teruggestuurd. De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen kan het aangifteformulier terugvinden op de gemeentelijke website www.kuurne.be.
Artikel 7
Bij gebreke van een aangifte binnen de vastgestelde termijn of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep.
Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college van burgemeester en schepenen aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting. De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen. De ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag kan slechts geldig worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar volgend op 1 januari van het aanslagjaar. Deze termijn wordt met twee jaar verlengd bij overtreding van de belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen.
Op de ambtshalve vastgestelde belasting zal een verhoging worden toegepast van:
- 25% bij een eerste overtreding
- 50% bij een tweede overtreding
- 100% vanaf een derde overtreding
Artikel 8
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 9
De belastingschuldige kan bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen. Indien de belastingschuldige wenst gehoord te worden dient dit uitdrukkelijk te worden vermeld in het bezwaarschrift. Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven, binnen de vijftien kalenderdagen na de indiening ervan.
Artikel 10
Deze beslissing wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden.